We nemen de ferry vanop Ao Thammachat pier. De oversteek duurt een klein half uurtje en kost, met auto en vijf passagiers een goeie elfeuro. De pier zelf heeft de laatste tien jaar geen face lift ondergaan. en de boten zijn duidelijk aan een nieuwe lik verf toe. Maar who cares, zolang elk jaar massa’s toeristen neerstrijken. Elk uur vertrekt een ferry. We hebben nog even tijd en kopen nog wat veel te pikant eten en staren naar de zee en het eiland aan de overkant.












Ik maak een praatje met een gezellige Mexicaan, alleen op reis en duidelijk in voor een babbel. Hij licht me in over de huidige toestand van de drugsoorlogen in zijn thuisland, over de belangrijkste cartels van het moment (Sinaloa, La Linea, de Zeta’s ..). I have seen Narco’s Mexico, vertel ik hem. I have seen it all. Maar, no kidding, hij beschrijft het gebeuren in Juares, murder capital of the world, en heeft het over 200.000 doden die gestorven zijn voor cocaïne en geld of zomaar, omdat ze in de buurt waren. (Ranking of the most dangerous cities in the world in 2023, by murder rate: op nummer drie staat inderdaad Juares, met 103 doden per 100,000 inhabitants, voorafgegaan door 2 andere Mexicaanse steden, en met drie nog andere Mexicaanse steden in haar kielzog.) We reizen om te leren.
De wegen op Koh Chang zijn een uitdaging, zeker bij regen of miezerig weer, wanneer je banden wegslippen.
Koh Chang: TERRIBLE, DANGEROUS DRIVING ON DANGEROUS ROAD.
Thailand’s traffic fatality rate is about four times higher than the USA (per capita). Not too encouraging.
It’s as if the ‘risk-factor’ computer chip is missing from their brains.”



Een zwembad met uitzicht over de zee. Je gordijnen optrekken en onmiddellijk de golven zien. Het water is warm, de lucht is warm. Het is zalig. En wat een zicht! Enkel de zon is een bummer. Want die blijft halsstarrig uit.











Naar de avond toe daalt een groepje stoutmoedige apen af uit de jungle, ze hangen aan het dak, laten zich neer en komen op ons terras zitten.





Een lelijkerd kakt onbeschaamd op onze stoelen, terwijl hij me arrogant aanstaart. I get it. They were here first. Of dat zegt Darwin toch.

Veel paradijselijker wordt het niet. Maar toch is het oppassen geblazen met The Bandar-log. Eén monkey komt wel héél dicht. Op een halve meter van mij.

Hij grijpt mijn Leo-bier.


Als hij zijn tanden toont, spring ik meer dan een halve meter achteruit. Niet gek op apenbeten noch rabies. Een ander smeerlapje beukt keihard in op de deur van onze buren, maar die blijven veilig binnen. Blijkbaar, zo hoor ik achteraf, maak je je het best zo snel mogelijk uit de voeten, want ze kunnen inderdaad gevaarlijk bijten. En ze bombarderen ook de bungalows met kokosnoten, blijkt.








Het is rustig op het eiland. Het is natuurlijk laagseizoen, maar post-covid heeft er zeker ook mee te maken. Het Thaise toerisme heeft heel hard geleden tijdens de pandemie. Koh Tao, The Divemasters Island, bijvoorbeeld, was zo goed als 3 jaar op slot. Bewoners moesten provisies en geld bij elkaar scharrelen om de dag door te komen. Ook de infrastructuur lijdt eronder, van grote hotels tot kleine schorremorrie-lodges. Opnieuw had ik totaal andere verwachtingen. Ik zag Koh Chang als een mega-toeristische plek met vooral top notch resorts. Die zijn er natuurlijk, maar evengoed heb je nog de backpacker scene van weleer, en ook veel rommel en aftandse achterbuurtjes zoals Lonely Beach, dit laatste misschien mede door het Covid-verhaal.











En ja, het wordt weer gek. Onze buurman heeft twee labradors, en die trekken een plastic orka door de branding. En wie mag mee op de orka? Luxie Puxie natuurlijk!








