









Ik zit helemaal achter met deze blog. En het frustreert me ongelofelijk. Ik snap dat we ergens in het hol van Pluto geen supersonisch internet moeten verwachten, maar in sommige zogezegde 4-sterren hotels … En als het internet het dan al eens behoorlijk functioneert, valt de elektriciteit om de vijf botten uit …
30 juli Jodhpur
Onderweg naar Jodhpur, stopt Desh voor een dode pauw, die langs de kant van de weg ligt. De pauw is de nationale vogel van Bharat (de officiële naam van India). Deze fiere vogel doden levert je, volgens Desh, 5 jaar achter de tralies op. Desh neemt de vogel op en legt hem uit respect in de berm, zodat er niemand meer kan overheen rijden. De rottende heilige koe iets verderop laat hij liggen. Hij gelooft niet in hun verheven staat, en sowieso zal haar gewicht er ook iets mee te maken hebben. (Trouwens, blijkbaar zijn enkel de inheemse koeien heilig. De geïmporteerde mag je opvreten. ) We komen ook nog een aangereden eekhoorn tegen, en daar giet Desh een flesje water over heen. To help him, sir. Ik denk eigenlijk dat hij er beter nog eens over gereden was, maar voor ik het al door heb, zijn we alweer op weg.


Jodhpur, de blauwe stad. We blijven twee nachten in Devi Bhawan, een zalig hotel, rustig en een groene tuin met hibiscus, bougainville en bizarre cactussen. Het zwembadwater is net te warm, maar plonzen in deze hitte doet toch heel veel deugd. De eigenaars hebben blijkbaar koninklijk bloed (niet dé koning van India, want die bestaat niet, maar van één of andere Rasjpuut-staat, denk ik). Man en vrouw spreken perfect Engels, duidelijk hoog opgeleid.



Jodhpur geeft onmiddellijk een aangename indruk; proper(der), veel bomen, niet oorverdovend druk. We zitten buiten het oude centrum, en Desh zet ons af bij de oude clocktower, waar ze weer toeteren en luidkeels roepen zodra ze ons spotten, see my shop sir, buy this or that m’dam … Rondom de toren bevinden zich de ‘blauwe straatjes’. We lopen naar boven, ontzettend steil naar boven, naar Mehrangarh Fort, en het is opnieuw bakken onder de zon en het zweet stroomt en stroomt al van 9.30u in de ochtend. Onze timing is niet goed, eigenlijk moeten we ongelooflijk vroeg opstaan en vroeg gaan slapen, maar neen …













Ik blijf er wel verwonderd over dat zelfs de meest toeristische plaatsen van India; Agra, Goa, de hoogtepunten van Rajasthan … er niet in slagen om hun pleisterplekken schoon te krijgen. Vuilnis, drek en kwalijke geurtjes alom.

Mehrangarh Fort dateert van de 17de eeuw en de muren zijn bombastisch imposant. Carcasonne kan er een puntje aan zuigen. Aan sommige plafonds hangen hele kolonies zwaluwnesten. De monsters vinden dat maar vies. Er staan oude baldakijnen tentoongesteld, waarop de maharadja van weleer op olifanten paradeerden.


























Vanop de wallen hebben we een mooi zicht op Jodhpur’s Taj Mahal, ginds in de verte.


Na een broeierige wandeling door de binnenplaatsen en via trappen tot helemaal boven, en doorheen de verschillende prachtige kamers, bellen we Desh. I am at main gate, sir, zegt ie. Wij daarnaartoe, maar onze Toyota annex chauffeur valt niet te bespeuren. We blijven maar doorgaan tot we een Indiër mijn telefoon in de handen duwen om Desh te laten uitleggen waar we in godsnaam heen moeten. De kerel duwt ons in tuktuk die daar staat. He will bring you there, sir! Dus met een tuktuk naar de plaats waar Desh ons opwacht. Het blijkt een eindeloze rit en bij aankomst, blijkt dat hij boven staat, aan de hoofdingang van het fort, op de plaats waar we de eerste tuktuk namen om naar the main gate te gaan, grrrrrrmbbbbllll. Lost in translation. Desh is een goede kerel, maar de gesprekken verlopen moeilijk en vermoeiend. Hij heeft natuurlijk ook een eigen willetje, en probeert ons naar hotels te loodsen waar hij gratis kan slapen, en resto’s waar hij gratis kan eten. Begrijpelijk allemaal, maar zeker niet altijd de beste keuze voor ons.


Na de verschrikkelijke hitte en de meer dan nodige afkoeling, willen de monsters naar de schoonheidsspecialiste die ze niet ver van ons hotel spotten, maar niet voor ze hun eerste Starbucks bezoeken. Ik krijg er een massage (die een uur langer duurt dan betaald, en me veel serieuze rugpijn oplevert de volgende dag). De jongedames laten hun nagels doen. Nail-art. Right.
Volgende opdracht: een mooi decoratief stuk meenemen naar huis. Ik wil een Ganesh-standbeeld, en Sari geeft ook haar haar ogen de kost. De hoteleigenaar raadt me iemand aan. This is my antique dealer, sir. He can send a car to come get you. Ok. Doen we. Five minute for car, sir, zegt de ‘bell boy’. Natuurlijk staan we al snel weer 45 minuten te smelten in de zon voor het hotel. Lux houdt zich bezig met koekjes uitdelen aan de honden in de straat. De wagen brengt ons uiteindelijk opnieuw naar de clocktower. Het is ondertussen 19u en het is er een drukte van jewelste. Sir, my shop! Si-ir, my-hy sho-op. De truck is geen oogcontact maken. De verkopers hebben ook enorm snel door waar je vandaan komt, en lokken je dan met enkele woorden in je moedertaal. Sommigen spreken echt wel goed Frans. We worden van de wagen versast naar een tuktuk, als in een goedkope misdaadfilm, maar we laten ons leiden en duiken de wirwar van straatjes in. Sfeervol, dat wel.



En dan begint het theaterstuk. En ja, we laten ons verleiden, onnozelaars die we zijn. Een snor staat ons op te wachten. Hij begint meteen aan zijn praatje. Dit is was vroeger een pandjeshuis. Dit is dus geen gewone winkel, no sir. Hier staan familiestukken, heel zeldzaam. Op het gelijkvloers alvast niet. De kinderen snuisteren tussen de kleine en grote olifanten, blinkend blauwe miniatuur-kameeltjes. Sari is gecharmeerd door een kleine opiumdoos, die er inderdaad niet nieuw uitziet, gemaakt uit olifantenbeen (geen ivoor. Everything in this store is legit, sir.)


Het is een stofferig boeltje, wat toevoegt aan het gegeven van ‘oud’ en ‘ opgepikt uit een of andere achterkamer van een of andere Hindu-familie. Where are the nice pieces, vraag ik. Heel slim van me. Trap naar boven, voorbij lelijk textiel, nog een trap op. In een achterkamer, met banken langs de zijkanten en tapijten aan de muren en op de grond, staan een paar amorfe stukken, verborgen onder vieze doeken. Mysterie en verwachting alom. Eén voor een worden de unieke antieken beelden onthuld. En wij doen van ‘wow’ en ‘waauw’. Niet laten merken dat je iets mooi vindt, fluister ik. Ik ben gek op een groene stenen Ganesh.


De verkoper verzekert me dat het honderden jaren oud is. Prijs: 770 euro. Sari valt voor een Ganesh in gekleurd rosewood, en een zogegezegd uniek tribaal stuk: een uiterst decoratieve olifant in ijzer/ brons. No discount, zegt snor, because this is a special shop and I want to build good relationship with my customers. Hij toont me whatsapp-gesprekken met een dame uit Rusland, om me te overtuigen van zijn credibiliteit. We nemen een beslissing en we gaan ervoor. Drie beelden! En de kinderen mogen uit alle rommel van het gelijksvloer kiezen, gratis. Lux ritst nog snel de lelijkste kameel mee die er te vinden is. Maar gelukkig, kharma?, lukt het niet om geld over te schrijven. No problem, sir, I come to your hotel, wifi there better. Dus de snorren volgen ons, maar weer lukt de transactie niet. We come back tomorrow morning, sir, no problem, sir. Ze doen er alles aan om de deal zo snel mogelijk te sluiten.
’s Avonds contacteer ik mijn vader, die eeuwenlang antiquair was en wiens expertise ik wel even kan gebruiken. Het verdict is helder: niks kopen, bas. Don’t do it, man! We volgen zijn advies, eerlijk gezegd met wat pijn in het hart, en de volgende dag blazen we alles af. Later krijg ik nog berichtjes van de eigenaar van de shop: I give you one statue for free, sir. You pick one! En what about no discount en building trust, sir, vraag ik? This is no discount, this is a gift, sir! Because I want to build long term relationship with you. And because we had a good time yesterday! Wat een lieverd. Ik antwoord niet meer.
30 juli Jawai Bandh
Het is een kleine 6 uur rijden van Jodhpur naar Udaipur, en dat vinden we te lang. Ook al omdat 6 uur hier al snel, 7 à 8 u wordt, door koeien op de weg, piraten op de weg, pauwen en dode koeien en gewonde eekhoorns op de weg, wegversperringen, grote en kleine wegenwerken, ondergelopen en versperde wegen, heilige mannen, overladen vrachtwagens, ongelukken, langere stops in wegresto’s dan voorzien … En later ook nog kamelen, apen, everzwijnen en heel veel oranje mannetjes (waarover later meer).














Dus we plannen een nacht in Jawai Bandh, met nog een tussendoorstop bij een Jain tempel in Pali, een stadje onderweg. De Jain, mocht u het willen weten, zijn rare kwieten. Jaisme maakt geen deel uit van het Hindoeisme, maar is een op zichzelfstaande religie. De volgers hebben respect voor elk levend wezen, en de meest radicale gelovigen lopen rond met een doek voor de mond, terwijl ze de vloer voor zich vegen om toch maar geen insekten in te slikken.

De bouw van de tempel werd 9 jaar geleden gestart, en is nog volop bezig. Elk stukje gesculpteerd marmer wordt met de hand gladgeschuurd. Een huzarenstukje.





Een monk in opleiding leidt ons rond. Hij ruikt een beetje uit zijn mond, waarschijnlijk uit respect voor alle bacterieën die daarbinnen woekeren. Het is ook een beetje een rare kwiet, en hem onderbreken met vragen, daar houdt hij niet zo van. Hij houdt wel van meelwormen en larven.

De Jain-man vertelt ons ook honderduit over de wonderen die hier geschiedden sinds de aanvang van de bouwwerken, en waarvan hij allemaal persoonlijk getuige was. De plannen waren nog maar getekend, en er was nog maar (ter zegening) één of ander rood kruid (?) op het ontwerp uitgestrooid, en ziedaar, na enkele uren was het al getransformeerd in saffraan! En dan het marmer van hun supergrootte beeld van hun een of andere supergrootste godheid (sorry, lost in translation, again) was zwart gevlekt en de Jain-mannen wilden het al afdanken, maar ho neen! daar beval weer een stem van bovenaf dat er moest gewacht worden, en ziedaar! na drie dagen waren de vlekken pardoes verdwenen! En vertelde hij al over die mega cobra’s die plost uit het niets verschenen en zich opkrulden rond het hierboven vermelde supergrootte beeld? Dat was me ook wat!


Wiet laat ons niet gaan vooraleer we wat snacks gegeten hebben. We doen ons best, maar het sapje dat we aangeboden krijgen, is zout en de zoetigheden, met alle respect, zijn ronduit smerig.

If you give me one gift, zegt de monnik in opleiding, please try to avoid eating animals in the future. Otherwise your belly is a mobile graveyard.
We krijgen allemaal nog een tika bij vertrek, en ik voel me supergezegend. En we krijgen zeker ook een plaatsje op Jain-Instragram.




