7th april


Op 20 minuten rijden van Tetouan ligt de Ain Zarqa waterval. Niet enorm, niet majestueus. Maar volgens internet een plaatsje om te ontspannen. Wij daarnaartoe. Niet dat we echt gestresseerd zijn.
We vinden wonderbaarlijk vlug onze auto terug, in aan de rand van de doolhof van de medina. (We hadden niet opgelet: in welke straat stond die? Pinnen op google maps is iets dat ik nog niet meester ben.) Het mannetje dat op onze auto zou letten voor een paar euro valt nergens te bespeuren. Hij had nochtans zijn prijs op voorhand onderhandeld. His luck …
We rijden de stad uit, de heuvels in. Het verkeer is hier vrij rustig, niet chaotisch zoals je misschien zou verwachten. Niet echt. Veel blauw op straat, veel snelheidsbeperkingen en veel camera’s.
En de wereld verandert heel snel. De weg slingert omhoog, into the wild.





Mannen tsjokken op ezels, rustig, op weg naar ergens. Vrouwen dragen bussels stro op hun kromgebogen rug. Een kerel stookt een vuurtje en de blauwe rook kringelt de hemel in. Er staat een busje geparkeerd, met opschrift Wallonie Tourisme. Overgebracht uit België. Niet door de keuring geraakt.


Ain Zarqa zelf is minder lyrisch. Er wordt met veel gedoe en lawaai hard gewerkt aan een brug om betere toegang te geven tot een dorpje hogerop. Lux en ik klimmen omlaag over de rotsen tot beneden bij het snelstromende water. Spijtig genoeg ligt er overal afval. Een bijdrage aan de plastic soup, tot verpakkingen van microgolfmaaltijden en versleten schoenen toe. Maar de rivier is wel wonderbaarlijk helder.




We rijden verder naar Martil, aan de kust. Er is praktisch geen kat. Alle badplaatsjes wachten geduldig op het grote publiek, met een brede boulevard, palmbomen, LA-style vindt Ella, een ziljoen appartementen en restaurantjes. We eten vis enzo, aangezicht in de zon, met uitzicht op de zee. We klagen niet.







Dan nog even meer naar het noorden, naar M’diq. Dezelfde atmosfeer. Niet onaangenaam, en iets levendiger. IJsje eten, lanterfanten, lachen met dit en dat. Een posh, naamloos, restaurant op het water roept herinneringen op aan Bali.





De Spaanse invloed en geschiedenis is duidelijk aanwezig, in de hoge witte gebouwen in Tetouan, en in het kerkje hier met wit-blauwe gevel en ‘Hispano-Moorse architectuur.’ Ook de Iglesia de Nuestra Señora de las Victorias (Kerk van Onze-Lieve-Vrouw van de Overwinning) in Tetouan is een getuigenis van het Spaanse protectoraat, 1912-1956, in het noorden van Marokko.



Terug in Tetouan eten we ‘tapas’ op het dakterras van het mij al bekende El Reducto, met uitzicht over de witte stad. Een aanrader! Een prachtige riad en ooit een Arabisch paleis, de lekkerste viskroketten, en kamers die over the top gedecoreerd zijn in rood en pastel. Daarbovenop is dit een van de zeldzame plaatsen waar je hier een biertje kan drinken, of een glas Marokkaanse Chardonnnay.






8th april, Tetouan to Chefchaouen





Een klein uurtje naar Oued Laou, waar we zouden overnachten. Ik zeg zouden, want het weer zit tegen en dan valt er in dit stadje aan de kust waarlijk geen bal te beleven. En het enige dat de monsters hier sowieso willen doen, is zonnebaden. That is a no no. Ik bel naar onze slaapplaats, een appartementje met zwembad voor 30 euro. Ik excuseer me, en verzeker dat ik sowieso al betaald heb, via Booking, dus normaal geen probleem. Het gaat me niet over het geld, antwoordt de vriendelijke dame, maar over jullie ‘plaisier’. Je hebt die overnachting nog te goed. Laat maar weten wanneer je een volgende keer langskomt. Wel als je me nou … Als dat geen glimlach waard is.
We rijden dus door, naar Chefchaouen, de blauwe stad in de bergen.

Tot groot ongenoegen van de bange monsters nemen we niet de kortste weg naar Chefchaouen, maar kies ik een afslag, nog hoger de bergen in, richting de watervallen van Akchour, in het Talassemtane National Park. De natuur wordt ruiger, eenzamer, bomen worden kleiner, mist ontneemt het zicht en klaart dan weer op.





Maar toch duikt hier en daar een dorp op, inclusief moskee die waakzaam de velden overkijkt. Wolken pakken samen en even snel verdwijnen ze weer. Keer op keer lijkt de weg plots brutaal te stoppen, achter een bocht of over een bergtop en de dames schreeuwen en wrijven hun klamme handen droog aan hun broek.

We stoppen bij enkele huizen, in de vallei van Talambot, the middle of nowhere, lijkt het wel, waar de tijd is blijven stilstaan. I love it!
Maar of het hier goed leven is …






Onmiddellijk komen enkele kindjes op ons afgelopen, van bij een huis enkele honderd meter verderop. Ze zijn schuchter, maar komen toch dichterbij, zeker als ze zien dat we wat snoepjes en chips bij ons hebben. Oh my god … is dit wel woke? Hun vriendelijke moeders wuiven naar ons, wenken ons. Een van wakkert het vuur aan in een Ferrane; een traditionele Berbers-Marokkaanse aarden oven.





Verder en verder, met een tussenstop aan Camping Tighoulian, waar Luxie zich nog maar eens ontfermt over een katje. (Het ziet hier trouwens zwart van de katten, en er wordt voor gezorgd, met voedsel in elke hoek van de soek.)









Het landschap blijft adembenemend, maar o zo moeilijk vast te leggen.




Daarna neemt het aantal wagens toe … we naderen langzaam de stad en ik mis de bergen en de verlatenheid al.


Er duiken meer en meer blauwe huizen op, een voorbode van Chefchaouen. Vlakbij de stad ligt een enorme vuilnisbelt. Kraaien (?) en honden doen er zich te goed. En spijtig genoeg ook mensen.
Even verderop verderop verzamelen ooievaars op een rotspartij. Fier en statig.
Ze vliegen morgen weer uit, of iets later, als ze het hier voor bekeken houden.



Beelden van de blauwe stad zelf zijn voor morgen.
Nu ontdek ik nog even het nachtleven van Chefchaouen.
Alhoewel mohammedanen niet drinken, althans geen alcohol, en alle wegen naar Mekka leiden, zijn er blijkbaar toch ook enkele duistere paden die de weg vinden naar Bar Oum Rabie. Bar Oum is een donker café met lage plafonds en een kaart met enkel godendrank. Leeg als ik aankom, overvol als ik vertrek. Wie kan het ons kwalijk nemen?



Cola hebben ze niet. En ook geen mede, maar wel ettelijke soorten bier en whiskey en. Toeristen, maar vooral lokale mannen volgen de Champions League terwijl obers aandraven met gefrituurde sardienen en andere zaligheden. Naargelang het team, wordt er luidkeels geroepen of gevloekt als er gescoord wordt. Zoals het betaamt. Boys will be boys. Lokale vrouwen zijn er natuurlijk niet.


En terwijl plots de regen met bakken uit de lucht valt, en de straatlichten vreemde schaduwen werpen, loop ik door de verlaten steegjes, met enkel hier en daar nog een pinnenmuts of paraplu, naar Hotel Koutoubia, waar de monsters al uitgeteld kijken naar … nonsens. En de volwassen mannen kijken verder naar brood en spelen. Jong zijn mag.





