Dangerousroads.org

Chiang Dao – Angkhang, 16 juni

Twintig kilometer buiten Chiang Dao geeft Marie-Lou over. Ze sproeit. Ze zit vooraan, op Sari’s schoot, en kotst zichzelf, Sari, het dashboard, de voorruit en de achteruitkijkspiegel onder. Ik kan niet anders dan lachen.

De weg van Chiang Dao naar Angkhang staat op www.dangerousroads.org: ‘Doi Ang Khang is a high mountain pass at an elevation of 1,928 m (6,325 ft) above the sea level, located in Fang District, Chiang Mai Province, Thailand. The mountain is called Thailand’s ‘Little Switzerland’ for its cool climate and mountain scenery.The road to reach the summit is called Rte 1249. It has a maximum19% (for 0.4 km). It is a steep zigzagging asphalt road. Therefore, only vehicles in good condition with experienced drivers can make the trip. This road is very exciting and sometimes very exposed and unsecured driveway in innumerable twists and turns. There are great views from this route, but keep your eyes on the road as there are also some very steep switchbacks. As there is no public transportation to or within Doi Angkhang, hiring a car is recommended. As the road to Doi Angkhang is very windy hiring a driver is recommended if you feel uncomfortable navigating the steep hairpin turns uphill and downhill yourself.’

Het was geen goed idee om dit op voorhand aan Sari te melden. Ze is niet aan gapende afgronden, noch aan steile hellingen en afdalingen. Het blijkt gelukkig        allemaal nogal mee te vallen, ook al is onze Nissan maar een 1.2 en is hij niet          ontworpen om hellingen van 14% te beklimmen.

Zijn automatische versnellingsbak heeft vijf standen.

P voor parking

N voor neutraal

R voor reverse

D voor drive

En een mysterieuze L.

Voor loose? Voor Lul niet,  Nissan, hop, naar boven! ?

Even surfen. Voor Lock, zegt google: vastzetten in een lage versnelling en zo de berg op. Daar gaan we tenminste van uit. Maar in praktijk lukt het niet denderend. De truc: als je een steile helling ziet aankomen, zo snel mogelijk afdalen, genoeg momentum verzamelen, en hupsakee omhoog, al is het maar aan twintig per uur. Ondanks onze belachelijk lage snelheid, ligt Ella het grootste deel van de rit bang onder een deken op de achterbank.

Het landschap is prachtig, zelfs met de motregen en de mistbanken. Af en toe opent de jungle zich en maakt plaats voor open rijstvelden of valleitjes met lage begroeiing en eenzame bomen, vooral loof en naald, weinig palmen. We passeren enkele militaire controleposten, waarschijnlijk omdat we vlakbij de Birmaanse grens zijn. De soldaten, ongewapend, glimlachen en wuiven ons door.

We stoppen in een dorpje waar Wouter momo’s wil eten: gestoomde gevulde deegpufs. Ik lust ook wel een momo. Ik probeer met allerhande onomatopeeën (geloei, geknor en gekakel ) uit te leggen dat ik plantaardige vulling wil. Ik wijs naar tomaat, look en een of andere groene spriet, maar het is hopeloos. Ik verdenk de kokkin van slechte wil, want mijn klanknabootsingen zijn van onberispelijke kwaliteit. Neen, het vrouwmens wil duidelijk niet mee, ze ziet niks in een vegetarische levenswijze. Ik mag op mijn kin kloppen. Mijn reisgezellen zeggen dat het smaakt. Ik ben blijf voor hen. Verderop koop ik gefrituurde banaantjes.

We rijden verder, richting de pas op 2000+ meter. Daar loopt een eenzaam varken rond en twee meutes rivaliserende honden. Ze zijn behoorlijk mager – de honden, niet het varken – en Sari voedert hen de overschot van ons sponsbrood. De valleien zijn        bewolkt en veel valt er niet te zien. In deze streek wonen veel Chinezen, vertelt Wouter me, en hij wijst naar een gedenksteen met de letters KMT en Chinese tekens.      Kuomintang-Chinezen die vochten onder Chiang Kai-Shek tegen de communisten. Ze verloren het pleit. We spreken het jaar 1949 , toen Chinezen nog kinderen aten. Ze weken uit naar hier en naar Taiwan, en verdedigden de Thaise grenzen zelfs tegen   aanvallen van het Moederland.

Na twee uren rijden, 90 km voorbij Chiang Dao, bereiken we Doi Angkhang (doi staat voor berg, dacht ik). Wouter is gek op huisgemaakte en artisanale producten en wil graag naar het Royal Agricultural Project, vlakbij ons hotel, het Angkhang Nature Resort. Joachim, onze Duitser, vertelde me dat alle planten, bloemen, bomen enz. in om het even welk koninklijke park, tuin, villa of paleis  in Thailand uit Angkhang komen. Dit kan Wouter niet bevestigen. Er leven hier wel verschillende hilltribes, las hij, en je kan ergens thee proeven. Mooi zo. We rijden het resort binnen en bezoeken de bonsai-afdeling, en de cactus- en rotstuin met cacti, I shit you not!, ter grootte van respectabele Italiaanse populieren. Een Thaise vrouw met Maleisische echtgenoot wil graag een kiekje van onze kids, samen met haar totaal overdonderde dochtertje, dat ons aankijkt als waren we aliens. Zitten ze daar mooi op een rijtje, Lux, Toin en Fons, en het stomverbaasde Thais-Maleisische kind (Ella en Marie-Lou bleven met Sari op de kamer), tot Sofie plots de aanwezigheid van vleesetende planten vermoedt, en in paniek haar laatstgeborene uit het fotokader wegrist. Dit wordt een running gag.  🙂

We rijden rond in het Project, dat ettelijke kilometers beslaat. We cruisen tussen de boomgaarden met perzik, appel, peer, en persimom (geen flauw idee wat een persimom is, straks even googelen), langs koning Bumibol, langs Engelse rozenperken, en ik neem foto’s vanuit de wagen. Net een decadente safari, zegt Sofie, als ik plaatjes schiet van de sjofele hutten waarin de werknemers wonen. Ze heeft natuurlijk gelijk. Toch lijkt me dit niet zo een slechte plaats om te wonen. Als het vier uur is, loopt de school aan de rand van het koninklijke centrum leeg, en de kinderen wandelen in hun uniformpjes tussen de bloemenperken naar huis. Het is hier stressloos, het ademt hier. Maar dat is misschien de mythe van de bon sauvage: het reservaat in Brave New World en de bussen toeristen die een kijkje komen nemen.

De theeproeverij vinden we niet, en ook geen potten zelfgemaakte confituur. Misschien omdat we in het laagseizoen en de enige toeristen zijn. Wouter moet zich tevreden stellen met een zakje gedroogde aardbeien, geoogst in Angkhang. Wouter is van nature gelukkig een tevreden heerschap.

Mae Chan,17 juni

Drie uur rijden tussen en over de heuvels in de Chiang Ria Provincie. Het eerste uur was een uitdaging, haarspeldbochten naar beneden en diepe dalen. Deze keer heeft Marie-Lou niet over, maar Lux pist de achterbank onder.

Er is meer zichtbaarheid dan gisteren en ik kan al beter met de automatique werken. De natuur is prachtig, en er is zo goed als geen verkeer. Voor we aan de highway 107 komen, is er weinig menselijke aanwezigheid. Daarna krijgen we even lintbebouwing, met lelijke, typisch Aziatische constructies; vierkante blokken met onderaan winkels. We passeren verrassend veel christelijke tempels, enkele megalomane boeddha’s, en een paar mooie tempelcomplexen. We stoppen bij één heiligdom voor een kort bezoek, dat dan net iets minder interessant blijkt. Daarna is het landschap opnieuw doorspekt met rijstvelden, het voelt af en toe wat Balinees aan; groen, fris en lieflijk. We moeten nog voorbij een paar militaire checkpoints (of is het politie?), deze keer dragen de mannen wel automatische geweren; net iets minder lieflijk.

Rond twee uur rijden we Mae Chan binnen, een lelijk provinciestadje, zoals er wel veel lelijke provinciestadjes in Azië zijn. (Een beetje de  Deinzes en Eeklos van het oosten.) Maar ons hotel … Man man man. Man! Ons hotel! Een paradijs! Het Manee Dheva Resort, toppie! Een aanrader. Vijf jaar geleden werd het gebouwd en opgestart door monsieur Francis, een Fransman die eerst zeven jaar voor Arcelor Mittal werkte, hier in Thailand. De architectuur van het complex is strak, maar heeft echt een ziel. De natuur draagt haar steentje bij. Het zwembad ligt op een plat dak en kijkt uit over de omliggende padies en frisgroene heuvels. Er dansen ontelbare libellen. Met een golfkarretje word je naar je villaatje gebracht, enkele honderden meter van het hoofdgebouw, tussen de rijstvelden, door een klein laantje, met de krekels rondom en de zon op je kruin. Zalig. Zonder twijfel één van de mooiste resorts waar we ooit sliepen. De bungalowtjes ogen ruim, luchtig en licht, met hoge houten zolderingen en ’s avonds zijn de bruggetjes, die de huisjes verbinden, sfeervol verlicht. (Voor wie het graag weet: prijs 60 euro per nacht, plus 13 euro voor een extra matras.)

Een paar kilometer van Manee Dheva schuimen Wouter en ik een marktje af op zoek naar een wasserette. Niemand spreekt Engels, maar ik wijs op mijn T-shirt en maak het universele stink-symbool (vingers op de neus).Aha!  De Thai begrijpen het. Maar de laundry-woman is afwezig. Gelukkig wil een fruitverkoopster onze was wel doen.  Hopelijk heeft ze een droogkast, want anders, met dit klimaat, staan we hier morgen om tien uur gegarandeerd voor niks. Het marktje zelf is écht lokaal, gezapig sfeertje, we zijn de enige westerlingen. Vissen liggen met open muil te koop in de laadbak van een pick-up, onder de bakkende zon. Venters bieden durian aan, rood en wit dragonfruit, rambutan, mangosteen, en andere vruchten, waarvan ik smaak nog naam ken. En curries. Een ballonvrouwtje pronkt met opgeblazen disneyvormen. Een paar kinderen kijken ons met grote ogen aan vanuit een geparkeerde wagen. Er zijn enkele up scale resorts in de buurt, maar het lijkt er niet op dat hier veel toeristen komen. Een mobiel pizzakraam heeft wel een Engels menu. Een medium pizza met mayonaise kost 85 bath. Wil je kaas, dan betaal je 160 bath. We gaan voor twee medium special hawaians, met thousand-island-dressing, én met kaas. Ik proef nog een groen Thais chlorophyl-drankje. Het smaakt naar water met vissaus. Als dessert kopen we poffertjes met kokossmaak.

Op reis met eigen vervoer is echt zalig. Het voelt avontuurlijk, ook al is dat relatief. de wegen zijn overwegend goed, en de route is makkelijk te vinden. We wagen ons ook niet echt in het hinterland. Maar het is tof om onafhankelijk te zijn. En je stopt al eens sneller ergens. Om een tempel te bezoeken, of om op zoek te gaan naar home-made jam. Ik hoop enkel dat we de kots en pisgeur uit onze Nissan krijgen voor we hem inleveren.

3 Comments Add yours

  1. Moe says:

    Steeds weer Thailand en toch altijd anders. Leuk

  2. cathy karas says:

    Lachen met een ander zijn miserie, jaaa, jaaaa…

    1. Waarover heb je het precies?

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s