-‘Doen we nog eens iets actiefs?’
De monsters vragen, wij draaien.
Dus we huren fietsen. Want van Nakhom Phanom kan je blijkbaar 75 km fietsen, tot in Mukhadan, een beetje verder met of tegen de Mekong-stroom, ik ben pijnlijk slecht in geografie. Een mannetje met een grote bril en nog grotere smile heeft er een 100-tal staan. Fietsen dus. Wie leent die behalve clazy falangs, vraag ik me af, want het is 43 graden, ja, nog steeds … en de Thai hoi peloi lijkt vooral naar hier te komen om mega geposeerde foto’s voor het karstgebergte van Laos te nemen. Toegegeven, zoals wij dus, maar dan iets meer Colgate en zo lang mogelijk benen. Soit. De banden worden opgepompt, en we vertrekken op vertrouwen; geen ID, geen vooruitbetaling, nothink de pottink. Het mannetje met de grote bril wijst naar een telefoonnummer. Of we aub even kunnen bellen als we terug zijn. Check. Doen we.



Vergat ik te vertellen dat het 43 graden is? En misschien vergat ik ook te vertellen dat Sari een model aankomende puberfiets meekreeg? Nu ja … daar gaan we, en de monsters vinden het leuk … tot ze het niet meer leuk vinden …









We rijden langs de machtige Mekong, op een goed aangeduid blauw pad, passeren – u raadt het al- tempels, slaperige vissers op hun lauw deinende bootjes, ja … zelfs een christelijke Sint-Annakerk. En, met alle respect, hoe vreugdeloos kunnen onze heiligdommen zijn in vergelijking met … (op de begraafplaatsen na, die hebben meer kleur dan die van, bv. Merelbeke of Ooigem).






We houden het een 10-tal km vol (schat ik waarschijnlijk onterecht), met een tussenstop onder een machtige boomgod, met lemon-soda, liche-soda, strawberry-soda, en geven uiteindelijk de pijp aan Maarten. Misschien vergat ik ook te vertellen dat de ketting van Marie-Lou’s tweewieler al betere dagen gekend heeft en daddy die tien keer mocht heropleggen … (of hoe zeg je dat?)




Gelukkig biedt Nakhom Phanom ook andere zaligheden aan, zoals daar zijn … massage, nail studio’s en zelfs waygu-steak (al heb ik mijn twijfels bij dit laatste, aan 12 euro/pp.)





Marie-Lou en Luxie genieten van een massage, terwijl ik aan de overkant van de weg een Chang-biertje drink in Gate 14 en een praatje sla met Bobsy, de beminnelijkste uitbater van het etablissement. Als het hard regent, vertelt ze me, en als de pomp het niet doet, sta ik enkeldiep in het water. Maar, ook als is Gate 14 is aan een restyling toe, de waygu-steak, fish & chips, tempura, pad thai (die ze elders halen op een brommer) … het is vingers likken …

Bobsy vertelt honderduit. Hoe ze met haar vader Thailand verkende, en Vietnam zag, hoe de king of heavens tien jaar oorlog voerde met een Thaise koning, (Boeddhisme en Hindoeïsme, één pot nat, zegt ze, of zoiets … vraag me niet wat of hoe, want veel Hindoes heb ik hier nog niet gezien). Hoe the King of Heavens uiteindelijk het onderspit delfde en de regens opnieuw naar de aarde stuurde. Zij het met een compromis en in periodes. Vandaar de verschillende seizoenen. En, oh boy, de regens en het onweer, de storm en de bliksem bij nacht … ze kunnen er hier wat van! Uren aan een stuk, niet bevorderlijk voor de slaaprust …

We verlaten Isan. The road so far?

Bent u nog nooit in Thailand geweest? Kiest u dan voor Isan? Eerlijk gezegd: neen. Ruraal rustiek? Le bon sauvage is nog te vinden in het achterland, en daar worden we dan wild van, maar is de beleving daardoor beter? Dubieus, want ik ben geneigd ja te zeggen. Verder is Isan overwegend zo plat als een pannenkoek, de natuur is mooi, maar niet van-ik-zal-u-gaan-hebben. Er is geen westers toerisme (we zagen een 10-tal ‘blanken’, en ja, misschien is dit geen ‘woke’ thing to say, maar verbeter me aub), en de belevenis, goed of kwaad, is dus wel authentiek. Op Nakhom Pahnom na, hebben de steden op het eerst gezicht weinig ‘eigenheid’, en lijken ze vooral copy paste. Gelukkig gaat het daar niet om voor ons, of dat vertellen we onszelf toch, maar wel over die kleine dingen, en over die grote verwondering tot in het absurde toe (zoals de olifant-tempel), over die anekdote tussendoor, over die vreemde of warme ontmoeting, over dat ene klooster dat je vervult met ik-weet-niet-wat, en vooral ook over de ongeëvenaarde vriendelijkheid van de mensen. Forever smiling en behulpzaam.
De trip gaat verder. We rijden 450 of zo km naar het zuiden. Ondanks de wegenwerken overal halen we een behoorlijke snelheid. En we wennen aan het links én rechts inhalen, aan het feit dat zebrapaden geen betekenis hebben. En rode lichten ook soms niet.
We maken een stop in Yasothon en zijn afzichtelijke, reusachtige pad, en oh boy die is echt afzichtelijk …en tjeesen verder…





Oh ja, ik vergat het bijna, naast de afzichtelijke, reusachtige pad, ligt ook een reusachtige, zij het minder afstotelijke, naga, dixit legende een watergod en creator van de Mekhong, en sinds 2022, volgens Wikipedia, een nationaal Thais symbool, bedoeld om het ‘toerisme te boosten’.



Na een dikke 6.5 uur rijden komen we aan in Buriram, populatie 27.000 of zoiets, in het Hotel De l’Amour, aan een spijtig genoeg drukke baan, maar met een vijver en kamers om u tegen te zeggen. En, opnieuw, er lijkt geen kat aanwezig. In de meeste hotels tot nu toe was het zwembad van ons. En zo ook hier. Thai zwemmen niet, zo blijkt.








In Buriram is het daarentegen een drukte van jewelste. Blijkbaar is het de verjaardag van de koning, Maha Vajiralongkorn Bodindradebayavarangkun oftewel Rama X, en blijkbaar feest zijne majesteit drie dagen. Maha Vajiralongkorn Bodindradebayavarangkun oftewel Rama X is een echte party animal. Opstoppingen overal dus. Kermis met schietkramen en schabouwelijk geroep door microfoons en keine Thaise meisjes in Frozen-Elsa-outfits, en springkastelen, marktjes met alles wat marktjes aanbieden …
Maar daarover morgen meer. Beloofd. En ook over de prachtige Khmer-tempels iets verderop.




Zo kleurrijk, hoe jij je ervaringen verwoordt, Bas. Ik ben er een beetje bij precies….