14 april
De weg van Cassablanca naar Marrakesh voert ons al snel door dorre verlatenheid, met hier en daar een modern dorpje, huizen als vierkante dozen, gedropt tussen de velden en duizend tinten bruin en enkele palmbomen.Veel wilde veldbloemen, bougainvillea die opkruipt tegen de muren van de compounds waar de rijken vertoeven. Onze taxichauffeur wijst ons op de gendarmerie, die waakt op elke brug over de autobaan. Schoelies uit de dorpen gooien blijkbaar stenen op passerende auto’s. En koeien mogen ook niet oversteken. De agenten staan er acht uur per dag. Beresaai, maar meestal zijn ze met twee, en slaan een babbeltje, met elkaar, of met een aangewaaide dorpeling die geen bal voorhanden heeft.


De weg is aangeduid in het Arabisch, Frans en in een mooi, hoekig geschrift, dat Grieks aandoet. Het is Amazigh, Berbers, dat in 2011 officiële status kreeg.


Het is 200 km naar ons Manzal Lahbab, ons hotel in Doura Sabaa, een klein dorp op 20 minuten van het centrum van Marrakesh. 140 euro, niet echt goedkoop, maar een auto huren zie ik om wille van de hoge franchise niet zitten.





We zijn op tocht met omoe, blijven 4 nachten in Marrakesh en 1 nacht in Cassablanca, van waaruit we terugvliegen. Omoe was hier voor het laatst 56 jaar geleden, samen met pepe, in 1969 dus, toen Spanje Ifni, een Spaanse enclave aan Marokko overdroeg. De Westelijke Sahara bleef in Spaanse handen, tot Marokko het in 1976 geannexeerde. Ik denk niet dat mijn ouders er iets van gemerkt hebben.


Sari en ik waren hier een twintigtal jaren geleden. Het was onze eerste reis samen buiten Europa. Nog zonder monsters. Het lijkt ook al een verre geschiedenis. Ik herinner me dat we, low budget, 7 weken zouden blijven. Maar de hitte, zonder airco noch zwembad, 50 graden in Fez, deed ons na twee weken al ophoepelen. En ook het feit dat we er toen, textbook style, ettelijke keren zijn opgelegd. Ik herinner me ook dat we voortdurend lastig gevallen werden, en al zeker op Jama-El-Fna, dé toeristische trekpleister in Marrakesh. Je kon geen stap verzetten zonder aangeklampt te worden door henna-vrouwtjes of te struikelen over wiegende cobra’s met vloekende slangenbezweerders tot gevolg. Gidsen wilden ons tot vermoeiens toe de godganse tijd overal naartoe leiden. Het was zel heel sfeervol, maar ik kreeg het op mijn heupen, en ik kreeg het aan mijn darmen. Op de terugweg naar Casablanca kotste ik de trein onder.
Het was niet onze beste reis.
Ik wist dus ook niet goed wat te verwachten, zoveel jaar na datum.
Maar dat blijkt tot nu toe heel goed mee te vallen. Op de luchthaven was het rustig en kalm. Niemand is opdringerig. Een familie begroet een grootmoeder die terugkomt uit Saoudi Arabia met tranen, gezang en het typische ‘ulululu- geroep’.
Een taxi vinden was geen probleem. Chauffeurs houden zich aan de verkeersregels en er wordt niet overal en altijd getoeterd. (Remember India.) Er rijden opvallend veel Dacia’s rond. Dichter bij Marrakesh zien we de contouren van het Atlasgebergte opdoemen. Herders grazen grote kuddes schapen. We rijden er bijna een aan dat plots de weg oversteekt.




Manzal Lahbab is een oase van rust. Ons villaatje naast het zwemad met drie kamers kost 100 euro per nacht, zonder ontbijt. Nourid, een kerel vooraan in de twintig, ontvangt ons met open armen, en met verse muntthee en huisgemaakte zandkoekjes. Hij slaat heel graag een praatje, in het Engels, want zijn Frans is niet opperbest. Hij studeerde in Cyprus, vertelt hij, vandaar. Palm- en olijfbomen, parmantige pauwen, kippen, en een concert van vogels. Het is niet te warm, maar Lux en Marie-Lou wagen nog een sprong in het zwembad. ‘s Avonds onze eerst veggie Tajine. Het smaakt.







15 april
We ontbijten om 9 uur. Vroeger lukt niet, zegt Nourid met brede glimlach, want ‘the chef has to come from the center of Marrakesh‘. Een beetje vreemd, maar who cares. Het is vakantie. Zwarte olijven, smeuiïge roomkaas, zelfgebakken donker brood, eitjes, kleine boterkoekjes en ‘mille trous‘-pannenkoeken.




Op advies van de Tunesische taxichauffeur, die ons van de parking in Zaventem naar de luchthaven voerde (‘la navette est en panne’, natuurlijk) installeerde ik de InDrive-app op mijn GSM, de locale versie van Uber, die hij zelf in Marokko gebruikt. Illegaal, maar opnieuw: who cares … De app werkt volgens opbod: je stelt je prijs voor en indien je geen reactie krijgt, verhoog je die. Beetje tricky natuurlijk, zeker als je merkt dat er geen kat in de buurt is.
De chauffeur ratelt trots alle bezienswaardigheden van de stad af – who needs Trip Advisor? We rijden de Medina binnen, de ommuurde oude stad.





De driver dropt ons dicht bij Jama-El-Fna, het bruisende hart van de stad, omgeven door kilometers souks en duizend-en-één toeristen. De kraampjes die appelsiensap verkopen staan er nog, net zoals 20 jaar geleden, maar het zijn er geen 150 meer zoals toen. Het plein is geen hoogstandje van architectuur. Het is sfeer. Het is een ervaring, maar dan eerder ‘s avonds. Hierover later meer.




We worden totaal niet aangeklampt, er zijn weinig tot geen bedelaars noch halsstarrige gidsen, en we verlaten het plein en duiken ongeschonden de souks in, zonder henna op onze handen. Een hele opluchting.





De meisjes zijn in hun nopjes. De verkopers verkopen niet enkel kitsch maar o.a. ook mooie handtassen (al dan niet namaak), aardewerken potjes in frisse kleuren, koperen spiegels, potpourri en tonnen kruiden, Hard Rock Cafe Marrakesh-T-shirts, gevlochten dit en dat, ijzeren theepotten, mierzoete gebakjes … De hele reutemeteut.






Elk stukje old town Marrakesh is ingenomen door een winkeltje of een eettent. En er zijn ook pannenkoeken met Nutella. Wat wil een puber nog meer? Er lopen zo goed als geen honden rond, maar er is altijd wel een kat in de buurt. En de Marokkanen behandelen die met liefde.








We drinken een thee, of een cola-zero of warme chocomelk (het is niet warm, en het waait stevig) op het dakterras van Café de la Place, met uitzicht over het plein. De ober heeft er niet veel zin in. Daarna duiken we opnieuw vol overgave de souks in. De buit: een handtas (een valse Zadig en Voltair), nog een handtas ( geen namaak, gewoon mooi), twee mini-schaakspelen uit steen, een paar sneakers (namaak Gazelle-Adidas), oorringen, een turkoois-halsketting, één of ander etuitje voor Marie-Lou om schoolgerief in op te bergen en slippers. Na dag 1, het valt al bij al nog mee.









Er zijn ook meer lokale souks waar je o.a. de beenhouwers vindt, en de eettenten waar de Marokkanen eten, en inkopen doen, waar ezels koopwaar rondvoeren en waar oude mannen rondrijden op oude fietsen.








Ik ben veel meer aan deze authentieke delen van de stad. De kleuren zijn prachtig, maar dat zijn ze eigenlijk overal.











We lunchen opnieuw op Jamaa-El-Fna, niet duur, maar het eten, het mag dan al goedkoop zijn, valt serieus tegen. Kouskous zonder kruiden. Tajine zonder smaak.
We bezoeken nog het Bahia Paleis, in het centrum. Prachtig kleurrijke plafonds, en een indrukkend binnenplein, maar de oppervlakte van 8.000 m² blijkt niet genoeg om om de potentieel serene sfeer op te snuiven, want het grootste deel van de toeristen lijkt hier samengekomen.












Buiten het paleis tikt meester Peter, een van mijn collega’s op mijn schouder. De wereld is klein.

Hoe later op de dag, hoe meer de souks volstromen met toeristen. We houden het voor gezien.
In de vooravond loop ik even de straat van het hotel in, op zoek naar cold drinks, chips en lippenbalsem voor Lux. Onmiddellijk word ik aangeklampt. Monsieur, j’ai une fracture de jambe. s’il vous plaît, monsieur. Even verderop spreekt een andere kerel me aan. ‘ Un peu d’argent pour des medicaments, monsieur. Maar ze geven snel op. Met zijn gebroken been kan die eerste me sowieso niet volgen. Om ;ijn geweten te sussen laat ik drie kindjes een ijsje kiezen in een winkeltje. Mijn goede daad zit er alweer op voor vandaag. ‘s Anderendaags loopt Ella ook even mee en we slaan een praatje met een oud vrouwtje, een conversatie waar geen van de drie een jota van begrijpt. Maar we glimlachen des te meer.





