Summer 2026: Anjer & Jakarta

11 juli: Anjer naar Jakarta

Er valt hier bijna echt geen bal te doen, in Anyer. En het is ondertussen overduidelijk dat de oversteek overland naar onze tussentijdse stop in Pulau Weh een onmogelijk huzarenstukje zou zijn. In rechte lijn, over de Jalan Raya Trans-Sumatra – de Transsumatraanse Highway – is het een slordige 2.302 km van Bakauheni naar Banda Atjeh. In Europa haalbaar, maar hier doe je er meer dan 45u over.

Minstens, want je wil ondertussen natuurlijk van die highway af, naar links en naar rechts, en beter nog, je wil een stuk de kustlijn volgen. Nope. Not doable. En al zeker niet nu we merken hoe snel het verkeer hier vastloopt. We steken de Straat van Sunda dus niet over met de veerboot, maar boeken een binnenlandse vlucht vanuit Jakarta naar Atjeh.

We checken een dag vroeger uit het Sanghyan, zwaaien een laatste keer naar Romi, en proberen een Grab te pakken te krijgen voor de rit naar de hoofdstad. Onbegonnen werk. Alle drivers cancellen. Niet interessant voor hen, heen en terug voor die prijs. Na veel vijven en zessen, en met hulp van de manager (neen, niet Romi) komen we uiteindelijk met een taxi aan in het FM7 Resort en Spa, op een steenworp van Soekarno Hatta international airport. (De luchthaven is vernoemd naar de eerste president van Indonesië, Soekarno, en de eerste vicepresident, Mohammad Hatta. Soekarno, niet te verwisselen met Generaal Soeharto, de laatste dictator (1967 tot 1900). De eerste een nationale held, de tweede een rasechte smeerlap.)

Het FM7 Resort en Spa kennen we. We sliepen hier al twee maal, de laatste keer een tiental jaar geleden. Ella zwom hier haar eerste zes lengtes, apetrots was ze, en wij ook. FM7 is een verademing na het Sanghyang in Anyer. Het hotel kreeg ondertussen een prachtige tweede lobby, maar in het zwembad zien we nog steeds hetzelfde type louche, zwaarlijvige businessman. Hij zit doodstil in het ijskoude bad, zweet in de sauna met zijn hoofd onder een handdoek, of doet een vreemde vorm van aqua-gym waarbij hij onafgebroken luid op het water slaat. Aangenaam is anders. 🙂

12 juli: Jakarta

Jakarta hebben we nooit echt bezocht. Ik was hier tig jaar geleden met Sari, voor de trouw van haar broer Moses. De monsters waren nog niet geboren en we waren nog jong en vol bravoure. Maar ik herinner me vooral de helse drukte in de buitenwijken, de huis-honden in misdadig kleine kooien, de afgrijselijke verkeersopstoppingen, de corrupte polisi die onterecht een boete uitschreef, en Superman – met airco – in de cinema.

Deze keer plannen we wel drie nachten in de hoofdstad, aan het einde van deze trip. Hopelijk niet tegen beter weten in. Voorlopig blijft het bij zwembad, mall, eten, en de airco van een Indomaret – een lokaal klein supermarktje.

13 juli: Jakarta naar Banda Atjeh

Soepele vlucht? Papa, no way hose, zeggen de monsters, er was de hele tijd turbulentie! Ik en alle andere passagiers hebben er niks van gemerkt. We zijn trouwens de enige niet-Aziaten aan boord. En alle vrouwen gesluierd. Los van de gewone veiligheidsinstructies wordt er ook gevraagd geen reddingsvesten mee te nemen. En, oh ja, net als in heel Indonesië, kunnen bepaalde zware drugsdelicten zelfs de doodstraf opleveren, dat vertellen ze er tussen de soep en de patatten even bij. Provincie Aceh is het enige gebied waar de Sharia geldt: strengere regels rond kleding, alcohol en kussen en zo van die dingen in het openbaar, tenzij je een mogelijke lijfstraf wil riskeren. Een pintje zit er dus niet in …

We landen na een vlucht van drie uur, en een groep cab drivers staat ons rustig op te wachten. Eén maal ‘Neen, dank u, ik neem een Grab’, en ze klampen je niet aan. Grab is de doodsteek voor hen, vrees ik, en af en toe nemen we dus ook een Bluebird-taxi, met meter. We zijn immers bewuste reizigers, maar dat weet u.

Het is twintig minuutjes rijden naar The Pade Hotel, aan de rand van de stad. Er hangt een leuke sfeer. Klein stadje naar Aziatische normen: 250.000 inwoners, lay back, geen hoogbouw en – ik checkte even – ook geen cinema. The Pade is een slaperige, zalige plek. Het is 33 graden en het koele zwembadwater doet deugd. Op een grasplein op het domein, dat voor trouw- en andere feesten gebruikt wordt, zit een vrouwtje onder een parasol in haar uppie onkruid te trekken. Ze heeft nog even werk. Er lopen twee zenuwachtige parelhoenders rond en ergens mekkert een geit. Er is maar een bezetting van 15 procent vertelt de kerel aan de balie.

We brengen een bezoekje aan de Masjid Raya Baiturrahman, de grootste moskee van de stad. Een blitsbezoek, want de kinderen zijn niet aan het kleed dat ze moeten dragen. Ons haar raakt erdoor in de war, papa, en het is warm! En natuurlijk ook een nono van the fashion police. Het is als met een fietshelm, die weigeren ze resoluut te dragen, zoals elke andere zichzelf respecterende puber. (Eigenlijk moet elke post hier, voor publicatie, hun fiat krijgen. Komen ze goed in beeld? Gelukkig lezen ze de blog niet. En daarbij, dyslexie helpt niet. (Monsters, laat maar weten, hé … Hieronder alvast een mooi trio …))

Wat springt onmiddellijk in het oog: enorme parasols tegen de hitte, die mechanisch opengaan .

Geen wereldwonder van architectuur, deze masjid, maar er hangt een aangenaam, ongedwongen sfeertje. Niet-moslims zijnde mogen we niet naar binnen in het hoofgebouw, zelfs niet met ons warme kleed, dus maken we er een toertje omheen. Nu is het vrij rustig, op een schoolbezoek na. De kinderen zijn gedisciplineerd. Hun namen worden door de micro afgeroepen en groepjes gaan trippel trappel rustig naar binnen.

14 juli: Banda Atjeh

Waar zijn alle westerse toeristen gebleven, vraag ik me af. Nergens valt een ‘blanke’ te spotten, en iedereen kijkt ons verwonderd, maar vriendelijk en uitnodigend aan. Auto’s vertragen letterlijk, big smiles, vrachtwagenchauffeurs hangen uit hun raam en roepen ons na. Hello, sir. Deri mana? Van waar kom je? I love you. En ze willen met ons op de foto. Constant. Hele families. Schoolkinderen. De crew van een restaurant. Voorbijgangers in de straat, Indonesische bezoekers aan het Tsunami-museum én het personeel, verveelde politieagenten in een verloren uithoek van de stad, verkopers van de nieuwe Hyundai Stargazer in de Suzuya Mall. Deftige dames op het verjaardagsfeestje van een van hen. Mochten katten kunnen praten, ze vroegen ons ook om een foto. (Pootjes die een smartphone kunnen bedienen, zouden ook een meerwaarde zijn.)

Nu vinden we het nog hilarisch … in een paar dagen zullen we het zo beu zijn als koude kak, vrees ik. Maar we hebben ons voorgenomen te gaan voor de meest onnozele foto’s.

En dan op zoek naar de boot die in 2024 aanspoelde bovenop een huis.

Gevonden. Meer valt er niet over te zeggen.

Daarna lopen we verloren door achterbuurtjes met armtierige huisjes en enkele visrokerijen. Vuilnis. Een eenzame haan. We zien wegwijzers naar evacuatiezones.

Terwijl we alweer wachten op een Grab, en een groepje jonge kiddo’s met ons meewacht, komen enkele sympa politieagenten een praatje maken. Veel misdaad hier, vraag ik hen, druk bezig? Ze lachen, halen hun schouders op. No, sir. Het valt blijkbaar wel mee in de onderbuik van Atjeh. Ik vroeg het even aan James, onze AI-assistent in bruikleen.

De Grab-chauffeur vraagt ons wat we hier in godsnaam doen. We weten het zelf niet zo goed. Jalan, jalan, zeggen we, we zijn aan het wandelen. Een antwoord dat het hier steevast goed doet. Meer uitleg hoeft niet.

We bezoeken het Tsunami-museum, een indrukwekkend gebouw in het centrum van de stad. Bij de ingang het wrak van een neergestorte politie-helicopter. Verderop Ai-beelden van de verwoesting. In een kleine cinemazaal wordt een documentaire getoond: amateur-geschoten filmfragmenten overgoten met dramatische muziek. Geen beelden van de enorme vloedgolven zelf. Misschien bewust.

In 2004 sloeg de Tsunami hier keihard toe. 1 op vier inwoners van Banda Aceh kwam om het leven. Meer dan 60.000 mensen. Dat is ongeveer heel Roeselare. Het totale dodental kwam op plus minus 230.000 mensen in veertien landen rond de Indische Oceaan. In Indonesië vielen ongeveer 167.000 doden.

Als de docu gedaan is, wil een groep bezoekers met ons op de foto. Of course they do. Ik veeg de tranen uit mijn ogen. Een wereld vol contrasten.

We hangen nog wat rond in en bij het zwembad, hangen nog wat rond op onze kamer, en bij valavond (om 18.00 wordt het donker) gaan we naar Ulee Lheue, waar de ferries oversteken naar o.a. Pulau Weh, ons Blue Lagoon-eiland, maar dat is voor later. Ulee Lheue zou ‘het gezelligste plekje van Atsjeh’ zijn, met prachtige zonsondergangen. Toffe spot inderdaad, met uitzicht op de heuvels aan de overkant van de baai en een zingende moskee aan de andere kant.

Maar het eten komt in kartonnen doosjes en is spijtig genoeg ‘affreus’. We wisten bijvoorbeeld niet van het bestaan van rijst in blokjes, blijkbaar typisch voor Indonesië. Lontong is rijst ‘die stevig wordt gekookt in een rol van bananenblad, daarna afkoelt en in blokjes of schijfjes wordt gesneden.’ Lekker? Geen spek voor onze bek, maar waarschijnlijk valt dat meer te wijten aan de chef dan aan het gerecht. De andere spijzen waren immers ook niet om naar huis over te schrijven. Bij deze doe ik dat dus ook niet.

Maar de zon gaat onder en de lichtjes aan. Wat wenst een monster op rice nog meer?

One comment

  • Hello there

    Alweer fijn om te lezen! Geniet van jullie avontuur. 🙏🏽

Leave a Reply