18 juli, Pulau weh

Alles verloopt volgens plan de ochtend van de 18de.
Ik begrijp uw ongeloof, en zelfs uw ontgoocheling.
Maar ik herhaal: alles verloopt volgens plan de ochtend van de 18de!
Het ontbijt is op tijd.
We krijgen wat we bestelden. Fruit, omelet, appelsiensap, cappuccino etc.
Mr. Sam staat stipt om 9.00 klaar om te vertrekken naar Pelabuhan Ulee Iheuede, de ferry-pier naar Sabang.
We vergeten niks in Maha Corner. Geld, passports, medicatie. Alles is mee! zelfs Luxie! Het lijkt wel een sprookje!
We rijden ons niet vast onderweg, de baan is niet overstroomd, het verkeer is vlot.
Bij de ferry nemen we afscheid van Mr. Sam, wat een warme persoonlijkheid!

Mr. Heri staat ons braaf op te wachten. Hij belde trouwens gisteren nog, Mr.Heri.
Er is geen moeder bij? Heb ik het bij het rechte eind als ik maar drie passports tel?
Ik stel Mr. Heri gerust. Waarschijnlijk is het hier heel ongewoon dat een vader alleen ‘op trot’ is met zijn drie dochters. Ik denk zelfs dat het ondenkbaar is.
Mr. Heri, ik snap zijn angle eigenlijk niet zo goed. Wat is zijn verdienmodel in deze situatie? Ok, ik beloofde hem een tip, maar dan nog … Niet leuk dat een mens op den duur zo wantrouwig wordt. En uiteindelijk … Sumatra is India niet.
Mr. Heri is wel een héél druk mannetje, all smiles en goedbedoeld, maar oh boy, wil je aub even vijf minuten zwijgen? Hij neemt ons mee naar de VIP-wachtruimte, met zeteltjes, Roti’o en smoothies.


You relax with your famliy. Boat is not leaving yet. They blablabla through the microphones, but I work here, I know, boat is not leaving yet. Relax, sit back, enjoy.
Wees dan even vijf minuutje stil. Dan kan ik relaxen.
De ferry vertrekt op tijd.
Ik weet het, het is allemaal moeilijk te geloven.
Aan boord hebben we genummerde zitplaatsen in een airco-ruimte, met een mega flatscreen dat niks toont. Maar natuurlijk, stoer als we zijn, kruipen we op het dek, in de hitte. Aceh verdwijnt langzaam naar de achtergrond, terwijl Sabang al de hele tijd zichtbaar was. De boottocht duurt maar één uur.
De monsters doen onnozel, en praat ik met twee kranige zussen, westerse toeristen. Uit Vlaanderen. Inderdaad. De eerste toeristen die we tegenkomen zijn Belgen. We zijn een volk van reizigers en avonturiers. Altijd al geweest.



Pulau Weh is het eiland. En "pulau" betekent ook "eiland.
Sabang is officieel de stad en het bestuurlijke gebied dat vrijwel heel Pulau Weh én enkele kleinere eilanden omvat.
Locals zeggen Sabang wanneer ze het hele eiland Pulau Weh bedoelen.
"Weh'komt uit het Acehs en betekent zoiets als “zich verplaatsen” of “loskomen”.
Op de kade van Pulau Weh staat taxichauffeur Mr. Pipin ons op te wachten. Dat was zo geregeld. Met Mr. Heri. Want Mr. Pipin is de broer van Mr. Heri. En nog meer bespraakt. Oh boy. Zwijgt nog minder dan een minuut. Slaat de hele tijd op mijn rechterbil, onderweg naar Freddies Santai Sumurtiga, waar we twee nachten blijven.

Maar een taxichauffeur is hier nooit zomaar een taxichauffeur. Zit je hier in de tourist-bizz, dan heb je een netwerk. Je broer, Pipin 2, baat de Deep Diving School uit (best one on Pulau Weh, sir!), je nonkel Pipin 3 runt Pipin’s Snorkel and Doplhin compagny, je achterneef Pipin 4 is trots op zijn Fastestspeedboatrentalonearth.com (with free drinks and fruit, sir!), en je grootoom heeft een thebesthotelketenontheisland.ind (die Pipin 1, 2 en 3 in onderaaneming heeft). (Sommige namen zijn veranderd om de privacy van de personen in kwestie te beschermen. Andere zijn totaal verzonnen.)
Neen, ik trek het op flessen. Again, dit is India niet. Iedereen heeft hier natuurlijk een handeltje en probeert rond te komen, en gezien het mega-laag aantal toeristen is dat maar al te begrijpelijk. Het is door de oorlog met Iran, hoor ik hier, mensen durven niet vliegen. Maar is dat zo?
Ik vraag het morgen aan Pipin 4, al weet ik nog niet wat die professioneel uitvreet.



Freddies Santai Sumurtiga heeft geen airco, grap ik tegen de monsters. Ik ben nogal een grapjas, weet u wel. Blijk dat het geen grap is. Onze kamer heeft geen airco. Monsters in alle staten. Zijn er kamers met airco, vraag ik. Jup. Ada. Die zijn er. Maar die zijn totaal ongezellig, liggen aan de overkant van de straat. De kamer die we boekten, kijkt uit op de smaragdblauwe zee. Enkele ranke palmomen ‘nemen een deel van het zicht weg’. Kan erger. We vragen twee ventilatoren extra, komen zo op een totaal van vijf. Het blijft snikheet, maar de dochters aanvaarden. Ocharme.
Ik slaap twee nachten buiten op het balkon.

Het is weekend, en het restaurant, eveneens met uitzicht op de turquoise zee, zit gezellig vol, vooral met locals en mensen die voor het weekend overstaken vanuit Banda Aceh. Obers in blauwe T-shirts lopen af en aan met gegrilde vis, calamares, lemon squash en panana pancakes. En met Bintang – het bier van hier – voor de weinige westerlingen althans. Niet nodig om hier naar “German juice” te vragen, al is het codewoord hier ook welbekend. En het gerstevocht in een glas!

De kinderen zijn over the top enthousiast. Het water is warm en zoooo helder. Lokale kinderen springen vanop een ponton het water in. Onze monsters volgen hun voorbeeld.


Het koraal is spijtig genoeg grijs en dood. We kunnen er, pardon my French, mee leven, want de vissen zwemmen kleurig gezapig en in grote getale onder ons.
Lokale toeristen varen uit op een padel-board, en betalen om zich te laten fotograferen/ filmen door een drone, in de meest hilarische poses. Een kerel die naast hen dobber en contact heeft met de kerel die de drone bedient geeft aanwijzingen en roept constant satu, dua, tiga! Een, twee, drie! Grappig, maar een klein beetje storend.





We zwemmen, duiken, plonzen en de monsters werken aan hun tan line. Of net niet, want de ene wil er een, de andere niet. Ik kan niet volgen.
Het eten is lekker, en niet duur. Ik ben dol op de morning glory: waterspinazie. We avondeten in Casa Nemo, dat ook een prachtig, iets duurder resort is, maar volzet. Het restaurant in koloniale stijl stijlvol. De prijzen van de maaltijden zijn dan weer vergelijkbaar met die in minder hippe plaatsjes.




We nemen een “bejak” (een 125 Honda cc, met side car voor 4 of 7, hangt ervan af met hoeveel je bent) naar een ‘” air terjung”, een bescheiden watervalletje. De moskees blinken in de felle zon. De huisjes zijn felgekleurd, maar mestal erg sjofel of vervallen. Er zijn winkeltjes en “warungs” (lokale restaurantjes), er is niet veel leven. Alfa-marts of Indomarets zijn er niet.






Ik huur ook een Honda 125 cc, 5 euro per dag, en sjees ermee met Luxie over de draaiende op-en-neer -gaande wegen, op zoek naar shampo, fruit en snoep. Het is even zoeken en verkeerd rijden, maar mission accomplished.


Het is weekend, en lokale mensen wassen zich in de rivier. Veel handjes-gezwaai en big smiles. Lux probeert vrijwillig tofu op een stokje bij een kraapje. Even wandelen en klauteren en uitschuiven. Er fladderen wat vlinders en een stoet mieren doet haar ding, maar veel insecten zijn er niet.











Bij de waterval springen pubers in lange broek het water in.Marie-Lou, Ella en ik volgen. Zij met short en T-shirt, al zegt de bejak driver dat bikini hier geen probleem is. Maar de puber-blikken en testosteron … We spelen op veilig.





20 juli, Pulau weh


We verkassen naar Pulau Weh Paradise, een pareltje aan de andere kant van het eiland, op een goede 45 minuten van Freddies. Een uitgestrekt zicht over de zee, en aan de overkant Banda Aceh. Ongelofelijk lay-back. Onze bagage wordt met een kruiwagen overgebracht naar de mooie, grote bungalows, weliswaar met je dagelijkse portie kakkerlak en een rat die over de balken in onder het dak rondtrippelt.



Enkele digital nomads doen hun ding in het restaurant. Lux vraagt alvast naar een fat potato-diner.

Ik raak aan de praat met Tim en Charlotte. Charlotte woont in Roeselare (of all places), maar vertoeft nu al een tijd met haar lief in Australië. Work holiday, of hoe noem je dat? Ze rijden rond met traktors op een boerderij, voor meer dan 5000 euro per maand. Maar het leven is er duur en ze slapen in een camper. Ben toch een klein beetje jaloers.
Het strand ligt vol scherpe stenen en het water is ondiep, dus het is even opletten. Weer heel weinig gekleurd koraal, wel redelijk wat vissen.
Diego, een vriendelijke praatgrage Spanjaard, vertelt me dat snorkelen bij Julia resort, 40 min verderop, prachtig is. Wij daar boordevol verwachting heen. U voelt me al komen. In het resort hangt een heel leuke, maar opnieuw doodse sfeer. Hutten op palen en veel kleur.


Ik vraag een kerel of we het water in mogen. Hij klopt op een deur en een oudere man verschijnt.
Go away! Met een vuile smoel en veel krachtige gebaren. Sleep here, swim here!
Het is de eerste keer dat ik een Indonesiër echt kwaad zie.
Why so angry, vraag ik, I am just asking.
Hij kalmeert een beetje, wrijft de slapers uit zijn ogen. I was sleeping already.
Ocharme.
I feel him.
Ik geef hem 100.000 IDR en de kous is af. Hij weer onder zijn klamboe vleermuizen tellen.
We zwemmen meer dan een uur en turen de zeebodem af. Toch niet volgens de verwachtingen. Missie nog niet geslaagd. U voelde me al komen.
Lux speelt met de katten. De zon gaat onder. De nacht valt over Pulau Weh


