2 aug, Berastagi to Samosir

We laten Berastagi achter ons. Te vroeg misschien, want de natuur lijkt echt wel mooi.
Maar het is niet ons ding, deze omgeving. Gloomy.
You win some, you lose some.
We maken onderweg enkele stops : Lumbini Buddhist temple, Dokan traditional village en Sipiso-piso Waterfall.
STOP 1
Het is vreemd om in Sumatra binnen te wandelen in een boeddhistische tempel. Zeker als er een bordje gesloten staat, maar dat blijkbaar geen holy fok uitmaakt. Het voelt tegelijkertijd heel aangenaam vertrouwd aan. Het binnenwandelen, niet het bordje. Iedereen wandelt trouwens binnen. We zijn geen cultuurbarbaren, zoals u weet. We zijn gewone barbaren.





Duidelijk Chinese invloed, denk ik, afgaande op de afbeelding op de pilaren van figuren uit de dierenriem: konijn, slang, groen varken, aap, ook in kinderlijke versie.




STOP 2
Travel Fish, een gerenommeerde reis-site, schrijft over Dokan: Far closer to sea level, on the way to Sipiso-piso waterfall, the traditional village of Dokan is worth a visit … etc … Wij vinden het een ontgoocheling. De huizen, nog bewoond, zijn aan het verpieteren, mos op en gaten in de daken. Het voelt leeg en doods aan. Spijtig vooral dat dit stukje geschiedenis teloorgaat. En dat mensen zo moeten leven.


STOP 3
De Sipiso-pisowaterfall is een waterval.
Het water valt naar beneden. Zoals water doorgaans doet.
Maar hier wel van 120 meter hoog.
De beelden spreken voor zich.
Impressive.
Prachtig mooie setting.

We rijden door en door en door.

We passeren kerkjes, en ook de Ikan Raksasa, een gigantische, gele vis.
Geen echte, voor alle duidelijkheid. Plastiek of polyester. Of zoiets.
Wat de materie ook is … het blijft een gigantisch lelijke gele vis.

Blijkbaar is de oorspronkelijk functie een mysterie. De opties volgens lokale bronnen: een voormalig restaurant, hotel of bibliotheek.
Maakt niet uit. Lelijk is ie.
Kunnen we die bezoeken, kunnen we er in, vraagt Lux aan de driver, vooral uit nieuwsgierigheid en minder vanuit een buckit-list-gevoel, neem ik aan. Lux heeft immers nooit de wens geuit om in een gigantisch lelijke gele vis te kruipen.
Is private property, antwoordt onze chauffeur.
Damn. Our loss.
Lux veegt haar tranen weg, we troosten haar, en rijden door en door en door.
We zien de eerste glimps van Lake Toba. Ok. Check.
Gewoonweg machtig.

Een vijftal uren na ons vertrek uit Berastagi bereiken we de vertrekplaats voor de ferry naar Samosir, een oversteek van een 50-tal minuten (1 euro per persoon, no life jackets included). Het is pokkeheet. Ik boek bij Michiel – Michael- alvast de rit naar Medan, drie nachten later. Michael spreekt Nederlands en Engels, is een spraakwaterval, en my new best buddy. Ik ben genoemd naar de aartsengel, vertelt hij met een brede glimlach. Zijn broers dragen de naam van andere lichtwezens, maar mijn geheugen laat me in de steek. U bent er gerust in, I know. (Drie dagen later, terug van Samosir, weet Michael niet meer dat ik bij hem een rit geboekt heb, laat staan mijn naam of de afgesproken prijs. Too much paddo’s, Michael? (Vrij verkrijgbaar hier.))



Lake Toba, het grootste kratermeer ter wereld, tot wel vijfhonderd meter diep. Maar volgens Mr. Boon, onze gids twee dagen later, is het nog niet helemaal ‘verkend’. Met ongeveer 1150 vierkante kilometer dekt het ongeveer heel Waals-Brabant. Niet dat Waals-Brabant nu zooo groot is, maar toch.
74.000 jaar geleden barstte de Toba-supervulkaan volledig uit zijn voegen, vertelt Mr.Boon me. Badaboom! Het was een very big ass-boom, front row spectacle!
En dat klopt helemaal
Mr.Boon knows his shit.
James spreekt zelfs van een gigantische super-eruptie, een van de grootste vulkaanuitbarstingen in de geschiedenis van onze blauwe bol. Duizenden kubieke kilometers magma en as werden hopsakee de lucht ingeslingerd. Scorchingly hot! Hell fire!
De krater die toen ontstond, liep vol water.
Et voilà, Lake Toba.
Samosir–island ligt midden in Toba en is het hart van het meer, althans … zeker het pulserende, toeristische hart.
De ferry is een gammele, houten boot, een stugge kapitein met eerder Japans uiterlijk zit aan het stuur.
Pay now, is het enige wat hij zegt.







De kust van het eiland is een aaneenschakeling van hotels en guesthouses – het ene, afhankelijk van je mood en je meug, nog mooier/ lelijker dan het andere.
Maar het zicht over het meer … Ta-daaaa!



Mr. Japan dropt ons, makkelijk zat, aan de kaai van Carolina Cottages, ons hotel voor 3 nachten. Het is, naar ik later hoor, het oudste guesthouse op het eiland. De eerste eigenaars, een koppel, Duits – Indonesisch, ligt liefdevol samen begraven op het terrein.
Oudst … het is er ietwat aan te merken. De kamers zijn ruim en clean, maar niet echt de gezelligste. Toch blijft het een sfeervolle slaapplaats, met zalig uitzicht.



3 aug, Samosir
Het weer zit wat tegen, de zon zit achter de wolken.
We spenderen een halve dag aan shopping en money: sim-kaarten zoeken voor de monsters, een ATM vinden die meer dan 50 euro in een keer uitspuwt. (Je betaalt sowieso vier euro of meer aan de bank, dus dan is het bedrag dat je afhaalt maar beter zo hoog mogelijk.)
Beide missies mislukken jammerlijk.







We lunchen in een klein restaurantje langs de grote weg. Lekker. Oh boy!
Ik raak wat aan de klap met mr. Boon (cf. supra), de zoon van de eigenaars, 24 jaar oud, goed Engels. Mijn ouders smeten me ooit buiten, vertelt hij, en ik werkte toen een maand in Carolina Cottages. Then dad and mum missed me and took me back.
Boon is nog niet getrouwd. Niet evident, legt hij uit. Je kan blijkbaar niet trouwen met iemand met dezelfde achternaam. En er zijn niet veel achternamen op het eiland.
Overal zie je Batak-architectuur én kerken, en zelfs de combinatie van. Sommige godshuizen passen perfect in Disneyland of in een sequel van Frozen, zeggen de monsters.
Overal tussen de bomen en rijstvelden in, staan graftombes.





Op Samosir tel je, als je daar behoefte aan hebt, 370 christelijke kerken, met ongeveer 1 kerk per 305 inwoners. Au nom de dieu! Zo goed als heel het eiland is christelijk.



We spreken voor morgen een dagtrip af met Mr. Boon, langsheen Ambarita, een traditioneel Batak-dorp, en verder via het 61 meter hoge Christus-de -Verlosser-beeld op de Sibeabea–heuvel, het grootste ter wereld. Eat that Buenos Aires!
Tussendoor nog een waterval …
En we eindigen bij Bukit Holbung, een spectaculair uitkijkpunt met zicht over yes, Lake Toba.
4 aug, Samosir
Voor we vertrekken, geeft Mr. Boon nog wat uitleg.
Aan de hand van een kaart.
En een borstel.
Ik mag hem wel.
No bullshit.


De zon zit meer uit dan niet. Warm. Zalige dag.
Eerste stop: Ambarita, een traditioneel Batak-dorp.
Het ‘dorp’, is in supergoede staat, misschien ook omdat de president enkele jaren geleden op bezoek kwam. Openluchtmuseum, ja, maar interessant en leuk. Zeker als traditionele dansers een groep Indonesische toeristen op sleeptouw nemen.




Mr. Boon geeft uitleg bij ‘the court of justice’, waar tot meer dan 200 jaar geleden vonnissen uitgesproken werden, met de koning op de grootste stenen zetel.
En kijk, daar heb je de executieplaats.
Lekker.
Bol dr’af.



Er zijn nog steeds mensen op Samosir die de traditionele, animistische godsdienst aanhangen, maar blijkbaar is dat bij wet verboden, vertelt Boon.

Maar dat verhaal klopt niet.
Ik parafraseer James even, zodat u - cultureel geïnteresseerde lezer - het zelf niet aan uw James, of Jane hoeft te vragen.
Parmalim, de traditionele Batak-godsdienst, is niet bij wet verboden, maar werd wel lang juridisch en maatschappelijk stiefmoederlijk behandeld.
Je aanbad Debata Mulajadi Nabolon - de hoogste godheid, en was als original Batak Toba niet vies van een rituele executie, een mensenoffer of, op een blauwe maandag, een beetje kannibalisme. Je knielde bedeesd neer voor een oeroude Hariara-boom (de lokale banyanboom, oftewel de 'wurgvijg', mocht het u iets zeggen). Je vroeg tussen de soep en de rijst door advies aan je geëerde voorouders over zus en zo ... maar officieel was je toch als christen of moslim geregistreerd. Blijkbaar was dat administratief makkelijker.
Ondertussen is de regering op deze regeling teruggekomen.
Maar ik denk niet dat we gevaar lopen om op Samosir in een pikant stoofpotje te eindigen.





Tweede stop: het Christus-de -Verlosser-beeld op de Sibeabea–heuvel.

Opnieuw moeten we in superlatieven spreken.
Christus, u bent massa’s imposant.

Maar uw bkik, Onze-Lieve-Heer?
Wat staart u in het niets?
Paddo’s?




De monsters doen een dansje in de schaduw van de heer.
Als ik het Frans van enkele Fransozen goed begrijp … niet iedereen vindt dat even gepast.



Ook hier valt Christus een aantal keer onder het kruis.
Maar een lokaal meisje, met anachronistische sneakers, helpt hem het gewicht te torsen.
Mooi beeld.
Spierwit.


Derde stop: Bukit Holbung



Hold thy tongue and say no more, Sebastiaan.




De monsters willen hier dolgraag een picture met daddy. Hoe kan ik neen zeggen?
As if.



Ondertussen zijn er wat wijzigingen gebeurd aan het Grote-Onfeilbare-Monstersoprice-plan.
I know.
De monsters namen het initiatief.
Papa, om de visa -shit te vermijden … We vliegen op Kuala Lumpur, Maleisië.
(De dames zijn dol op KL.)
En dan, papa, vliegen we vanuit KL naar Jakarta. Daar nemen we een visum on arrival.
En klaar is Kees.
Mmmm.
Niet slecht, als variatie op het Grote-Onfeilbare-Monstersoprice-plan.
We Googelen wat, overleggen met James, checken Momondo en diverse officiële visum-sites.
Ik ga akkoord maar stuur ietwat bij. Geen KL. Sorry, monsters.
Ziehier het plan, gereviseerd en onfeilbaar versie xxxx:

Meanwhile …
Ik schrijf deze post vanuit mijn knus schrijvershoekje op Penang, Lost Paradise Resort.
Dus, inderdaad, we zijn er geraakt.


Keep on reading, people.
We will keep on doing weird shit on da road.
Promise.