31 juli, bukit lawang
De monsters worden wakker door een aap die brutaal in hun kamer naar binnen gluurt . Hij heeft ook, waarschijnlijk samen met zijn confraters van de de Bandar-log, een handdoek gepiekt, die nu in de bomen hangt, de vuilbak uitgekieperd en alles in het rond gesmeten wat niet te vreten was.


We ontbijten, hangen nog een dagje rond in Bukit Lawang.
Het is marktdag, dus wij daarheen, met een bejak.
De drivers droppen ons.
Five minutes?
I don’t know, zeg ik.










Het stinkt op de markt. Misschien is het de ongezouten geur van de kippenpoten, misschien het aroma van darmen, die lekken op de vloer. Waarschijnlijk is het een combinatie van. En dan nog eens rijkelijk overgoten met vissaus. En het vuilnis op de grond. En ongewassen puber-oksels.
Een oud besje bedelt. Een blinde man leidt een blinde vrouw rond, die zingt door een micro. We doen onze duit in hun zakje. Het voelt futiel aan.


We kopen twee kilo magosteen, drentelen even wat rond, en rijden terug.
Vijf minuten bleek net iets te weinig, maar het scheelde niet veel.




‘s Avonds lopen we langs de rivier, waar toch wel heel wat winkeltjes hun waren etaleren: souvenirs allerhande, schilderijen, whatchamacallits bedrukt met oerang oetangs.
Dit dorp biedt heel wat meer dan oorspronkelijk gedacht!







En dat was het zo een beetje voor vandaag. Lazy, op wat onderhandelen over de prijs van vervoer naar Berastagi na.
De roaf trip gaat verder: Berastagi en daarna Samosir Island, bij Lake Toba.
1 aug, Bukit lawang – Berastagi

We zetten aan, met ‘Ronny’, onze aanvankelijk stugge, maar supervriendelijke driver. Taal is altijd een barrière, maar probeer een paar woorden in Bahasa en deuren gaan open.
Ik vertel Ronny over onze verdere reisplannen, na Samosir eiland. We willen vliegen, vanuit Medan naar Palembang, als tussenstop in ons Grote-Onfeilbare-Monstersoprice-plan.
Palembang?, herhaalt hij ongelovig. Why? Not go Palembang!

Hij windt zich echt op.
Palembang criminal!
Hij maakt het gebaar van een pistool tegen zijn slaap.
They rob me!
We slapen er maar een nachtje, stel ik hem gerust. Uh oh.
We rijden langs palmboomplantages, de ene na de andere, kilometers en kilometers, waar de gecontesteerde palmolie vandaan komt. Tussen de bomen, en aan de rand van de weg, grazen beige, magere runderen.

We snorren een half uurtje verder, en plots begint de auto een rammelend geluid te maken. Here we go again. Het verhaal van de kleine reisrampen. Het geluid houdt aan. Klinkt helemaal niet goed. We stoppen, Ronny doet de motorkap open. De aandrijfriem is losgekomen en afgeknapt. Fck. Ronny krabt in zijn haren.
Mahal.
Een dure bedoening.
Maar vloeken komt niet voor in zijn voc.

We worden opgepikt door een andere wagen, zegt hij, kan een uurtje duren voor die er is.
Right. As if.
Hopelijk geen “rubber time’.
En wie komt daar plots toevallig aangesnord op zijn 120 cc?
Onze Amri!
Hij is onderweg naar Binjai, een paar uur down the road, om zijn badmintonracket te herbesnaren.
Hij wil even rusten, zegt hij, dus dat doen we samen in een klein restaurantje bij de rivier aan de overkant van de weg, bij Pantai Namo Sampur, een strand bij de rivier, waar je een ‘natural bathing tour‘ kan doen. Yeah, baby!

Ik maak Amri verder wegwijs in the backoffice van het Airbnb-account dat ik voor hem opzette, om jungle treks te verkopen, zonder middle man. (Work in progress.) De grotere bedrijven, vooral in de handen van buitenlanders, hebben hier een monopolie, zegt hij, not okay.






We drinken koffie en Amri leert de monsters een spelletje. Te moeilijk voor mij, iets met reeksen van getallen onthouden. Nope.

De tijd gaat voorbij, zoals de tijd doet.
Ons nieuw vervoer komt aan, vroeger dan verwacht.
Ik vind het sneu voor Ronny. Tja. What to do?

Ari (niet te verwarreen met Amri) neemt ons verder mee. Hij houdt van Oasis en Bob Marley.
We laten de plantages achter ons en de weg begint te klimmen. Berastagi ligt op 1300 meter.
Het wordt frisser.
Donkerder.
We rijden Karo-gebied binnen. Op de een of andere manier lijkt de ‘sfeer’ te veranderen. Palmbomen hebben plaatsgemaakt voor loof- en sparrenbomen, en voor akkers vol koffieplanten. Overal staan kleine huizen en nog kleinere houten schuurtjes. Hier slapen de seizoensarbeiders, denk ik. Geen prettige omstandigheden. Mensen staren ons na, zonder de glimlach en openheid die we zo gewoon zijn. Gloomy. Ruw.



De Karo zijn overwegend christelijk. We zien de ene kerk na de andere, in hun eigen specifieke bouwstijl.

De rijweg is meer dan eens naar de botten, maar Ari ontwijkt de potholes meesterlijk. Aan 5 per uur.

We passeren de Gunung Sinabung, de vulkaan die de afgelopen decennia actief was, met meerdere dodelijke uitbarstingen. Ari wijst naar de uitgebrande, verwoeste huizen.




Bij de recente actieve periode van de Sinabung zijn tientallen mensen omgekomen.
"Eruptie februari 2014: hierbij kwamen 16 mensen om het leven.Onder de vele slachtoffers waren dorpsbewoners, en scholieren die net waren teruggekeerd na een vorige evacuatie.
Eruptie mei 2016: tijdens deze uitbarsting kwamen 7 mensen om het leven nadat ze werden getroffen door pyroclastische stromen (hete aswolken).
Sinds de zware uitbarstingen geldt er een permanente gevarenzone rondom Sinabung.
De meest recente activiteit van de vulkaan vond plaats in 2021.
On al lighter note …
Ella spot een aantrekkelijke bakery, in tinten van roze. De Hitam Manis Bakery. “Manis’ betekent “zoet”. “Hitam” betekent iets anders. Het zou raar zijn mocht het ook “zoet “betekenen. Want zou je de ‘Zoet Zoet Bakery” krijgen. Dit terzijde.




Verplichte stop. Sowieso.
De bakker is niet gloomy, verre van, hij is megaaaaa-enthousiast! Springt van hier naar daar en terug naar hier, tussen de taarten in.
De cakes worden niet per slice verkocht, dus we kopen er dan maar twee. Een cake met vulling van blueberry, en een bananabread-cake met kaas-topping. I know. Gelukkig smaak je de kaas niet, zo blijkt. Anderhalve euro per big ass cake. Ongelofelijk goedkoop, zelfs volgens lokale standaarden. Nog twee cupcakes dabei, eentje voor onze driver. De verplichte foto’s worden genomen, ook eentje met een andere klant.

Are you here for happy happy?, vraagt de bakker.
Hij bedoelt of we hier op vakantie zijn. Ik had even iets anders begrepen. (Iets met slagroom of zo.)
We eten cake tot we ontploffen.
Lux niet, die lust enkel snoep.


****
Na een zestal uren rijden komen we aan in Berastagi.
Het stadje is niet je dat. Vuil, druk, lelijk en ongezellig. Ideale combo voor een city trip.





Op een rond punt prijkt het Tugu Perjuangan Berastagi: het Strijders- of Onafhankelijkheidsmonument. Karo-bevolking en Indonesische vrijheidsstrijders vs de koloniale Britse en later Nederlandse troepen, vooral rond 1945. Indonesië riep de onafhankelijkheid uit en Nederland erkende die na jaren van strijd formeel in 1949.
Ons hotel ligt een half uurtje verder, buiten de stad. Er is hoop.
We rijden een nauwere vallei binnen, prachtig omgeven door opstaande wanden en vulkanen waaruit rookpluimen omhoog kringelen. Mooie setting dat wel. Maar de vallei is volgebouwd met hotels, het ene al lelijker dan het andere, restaurants en parkings. Er is een klein aqua park, de waterglijbanen staan droog. Kinderen klauteren naar boven. De hemel wordt steeds meer overtrokken. Helpt niet voor de sfeer.



Berastagi blijkt een trekpleister voor lokaal toerisme. En, ik vind het spijtig om zeggen, dat zorgt meer dan eens voor wansmaak, verval en vuiligheid. (Denk even terug aan ons Anghyang Indah Resort and Spa ons hotel in Anjer.)
Onderstaande foto’s bedriegen. 🙂 En de rest van de foto’s ook. Ik trek vanuit de betere hoeken en neem minder goede kiekjes van vuilnis, dus die post ik niet zo snel. En lawaai valt niet te fotograferen.


De Batak-bouwstijl valt op, doet denken aan de Toraja-cultuur in Sulawesi, zoveel jaren terug.


Het Paribar hotel, best hotel in town, is levendig, en zit vol enthousiaste Indonesiërs. Het zwembad is 40 cm diep. Het bad met hotspring water is alles behalve aantrekkelijk. Onze badkamer krioelt van vliegende mieren, die zich tegoed doen aan een halfdode joekel van een dragon fly. Soit, we hebben al erger meegemaakt. Ik hoop alleen dat de mieren niet besluiten om vannacht uit te vliegen. Ik verlos de libelle uit haar lijden.


We kijken uit op de bouwwerf van een hotel in aanbouw. Het zwembad is bizar genoeg al gevuld.


Het begint te regenen.
De monsters houden niet van regen.

Ik loop even wat rond en beland in een klein winkeltje, gerund door een gezellige, fiere 60’er.
The name is Teger, grapt hij, with an ‘e,’ not Tiger. Zijn British Engels is zo goed als perfect. Ik vraag hem naar het beste restaurant hier.
No clue. My wife brings my food. I never eat here.
Het is leuk babbelen met hem. Maar ik ben even kwijt waarover het allemaal ging. Goethe kwam ter sprake.

We besluiten morgen al door te rijden naar Samosir Island.Soms weet je gewoon dat je verder moet.
Zeker wanneer de live music start, boven ons bij het dakrestaurant, en ze blijven janken tot 00.15 … (skjuze my French. In Bahasa klinkt de zanger z echt mega, onder zeveren, zijn Engelstalige nummers zijn verre van toonvast. Maar ,oh boy, gaat ie ervoor!)


Ik heb de rit voor morgen naar Samosir Island vastgelegd met een kerel die zich op Whatsapp ‘Ultraman’ noemt. Dat belooft.
Keep on reading!